Zwaaien

The Optimist 30 jul 2021 Samenleving

Ireen van der Lem deed mee aan de Beste TOM schrijfchallenge van The Optimist. Met haar verhaal maakt zij ons getuigen van een prachtig, melancholisch dagelijks ritueel.

DOOR: IREEN VAN DER LEM

Daar heb je hem weer. Elke dag, zelfde tijd. Je kunt er verdomd de klok op gelijk zetten. Langzaam schuifelt hij met zijn rollator door de straat. De beige regenjas die hij het hele jaar door draagt, is te groot. En veel te dun voor dit waterkoude weer. Onder de jas zie je de pijpen van een bruine broek tegen zijn magere kuiten fladderen. Hij loopt op een soort grijze gympies. Wel wat anders dan vroeger. Toen zag meneer er nog tiptop uit. De stoeptegels liggen hier ongelijk, de ene veel hoger dan de andere. Ik zie hem gaan en denk, kijk toch uit man, kijk toch uit waar je loopt. Hij vermoedt dat ik hem niet meer herken. Wel zo prettig voor hem. Af en toe stopt hij even. In het mandje van de rollator ligt een tasje van gebleekt katoen met wat boodschappen. Het is niet goed te zien vanaf hier. Zullen wat dagelijkse benodigdheden zijn. Hij zal wel naar Mo zijn geweest, dat goedkope Turkse supermarktje op de Middellandstraat. Hier, recht tegenover mijn raam, kijkt hij altijd opzij. Een benige kop met priemende ogen en een brede mond. Dat is een mooi moment. Dan wenste ik dat Sergio naast me stond. Langzaam gaat zijn arm omhoog en zwaait hij. Niet een korte groet. Hij staat echt even te zwaaien. Toen ik hem aan zag komen, heb ik mijn zware, versleten lijf in mijn donkerblauwe badjas al uit mijn stoel omhooggetrokken. Nu sta ik naast mijn grote houten tafel. Met mijn blauw geaderde linkerhand steun ik op het blad en met mijn andere hand zwaai ik terug. Hij is blij als hij mij ziet en ik ben blij als ik hem zie. Zo simpel is het eigenlijk.

Vanaf dit punt in de straat kan ik hem, in zijn donkerblauwe badjas, al naast zijn tafel zien staan. Ik ben, ondanks alles, zeer punctueel gebleven. Het is half twee en ik heb sterk de indruk dat hij de moeite niet meer neemt zich aan te kleden. Dat hij niet meer buiten komt. Vroeger woonde hij samen met zijn vriend Sergio, die beeldend kunstenaar was, in deze oude pastoriewoning. We hebben elkaar een aantal keer in een ver verleden bij een vernissage ontmoet. Ik meen bij galerie Oase. Destijds heb ik twee werkjes van Sergio gekocht. Een object, een frĂȘle, lang uitgerekt vrouwfiguur in uitbundige kleuren en een abstract schilderijtje. Daarna hielden we contact. Hij herkent me niet meer, zo lijkt het. Sinds zijn vriend verhuisd is, leeft hij teruggetrokken. Misschien zijn het ook lichamelijke ongemakken die hem belemmeren naar buiten te gaan. Het grote huis zal wel leeg zijn nu. Elke dag zit hij aan zijn tafel. Elke dag wandel ik door zijn straat. Van enige afstand zie ik hem al zitten. Voor hem op zijn tafel staan een groene thermosfles en een gebloemde koffiemok, er ligt wat lectuur, een brillenkoker en meestal staan er bloemen. Deze week zijn het gele narcissen. Hij is wat zwaarder geworden en zijn dikke bruine haar van toen is dun en heeft, net als zijn huid, kleur verloren. Nu sta ik stil om hem te groeten. Altijd kijkt hij me recht aan. Het lijkt een wat verloren maar toch wel verheugde blik. Hij zwaait terug. Elke dag dat moment van ontmoeting, van opluchting. Elke dag laten we elkaar zo weten dat we er nog zijn.

 


Deze tekst is door Ireen van der Lem geschreven als inzending voor de Beste TOM Schrijfchallenge. De komende tijd zullen wij ook andere inzendingen online publiceren. Bovendien staan zestien verhalen in de jubileumeditie van The Optimist die op 21 augustus 2021 uitkomt.