Wie is er bang voor ongelijkheid?

154 mei/juni 2013

Extreme economische ongelijkheid wordt alom gezien als een ernstig maatschappelijk probleem. Hoewel deze nieuwe vorm van gelijkheidsdenken vaak als radicaal wordt gepresenteerd, is ze in feite uiterst conservatief. Moderne bestrijders van ongelijkheid beschuldigen de superrijken ervan met hun ongebreidelde hebzucht de sociale cohesie te ondermijnen. Tegelijkertijd vinden ze dat degenen die onder aan de maatschappelijke ladder staan elk normbesef hebben verloren.

Deze grimmige kijk op de zaak beperkt zich niet tot denkers die zichzelf links noemen. Ook conservatieven uiten met regelmaat kritiek op graaiende bankiers en asociaal gedrag. Er is eigenlijk nauwelijks verzet tegen de nieuwe egalitaire consensus. Beide zijden bepleiten interventies die je zou kunnen omschrijven als een soort ‘therapeutisch management’ van ongelijkheid, erop gericht om de extremen binnen de perken te houden. Wat als onverantwoord gedrag wordt beschouwd, moet door de politiek worden aangepakt.

Om dat te bewerkstelligen, heeft de overheid een steeds verfijnder systeem van surveillance en controle gecreëerd. Dus wordt de burger voortdurend vermanend toegesproken over de noodzaak van gezonde voeding, beperking van alcoholconsumptie, veilig vrijen en fatsoen. Deze inperkingen van de individuele vrijheid worden gerechtvaardigd door te wijzen op de noodzaak om de cohesie te bewaren in een samenleving die zwaar onder druk staat.

En zo leven we in een cultuur waarin de behoefte aan prettiger leefomstandigheden onmiddellijk wordt bestempeld tot ‘hebzucht’. Daarbij wordt vaak vooral gewezen naar de bonuscultuur onder topbestuurders en bankiers. De onderliggende boodschap luidt dat iedereen – van miljonair tot bijstandsmoeder – bereid moet zijn om een ‘gezamenlijk offer’ te brengen. Daarmee wordt bedoeld dat we moeten aanvaarden dat ons inkomen achteruit zal gaan en dat we onze ambities dienen te matigen. Het nieuwe gelijkheidsdenken zorgt voor een politiek correct vocabulaire voor het afkondigen van bezuinigingen en het oproepen tot afzien.

Dit alles staat mijlenver af van de opvatting van gelijkheid die ontstond tijdens de Verlichting, eind   zeventiende en begin achttiende eeuw. Voor het eerst in de geschiedenis werd toen algemeen aanvaard dat alle mensen in een aantal belangrijke opzichten gelijk waren. Niemand werd als waardevoller dan een ander beschouwd. De meeste Verlichtingsdenkers zagen een verband tussen vrijheid en gelijkheid. Vrijheid betekende dat aan iedereen gelijke rechten werden toegekend. Daarnaast impliceerde dit de morele autonomie van het individu.

Het is waar dat deze idealen in de praktijk niet altijd werden nageleefd. Zo behielden vrouwen destijds hun lagere status en werden slaven per definitie gerekend tot de onderklasse. Maar het feit dat een invloedrijk deel van de bevolking het belang van gelijkheid en het verband met vrijheid erkende, was niettemin een enorme stap vooruit.

Vandaag hebben de moderne gelijkheidsdenkers het vrijwel nooit over vrijheid of autonomie. Sterker, als zij wijzen op de gevaren van ongelijkheid is dat meestal een voorbode van verdere inperkingen van de vrijheid. Volgens hen zijn die noodzakelijk om de gevolgen van maatschappelijke fragmentatie te bestrijden.

Het nieuwe gelijkheidsdenken is ook in andere opzichten strijdig met wat tijdens de Verlichting onder gelijkheid werd verstaan. Voor veel Verlichtingsdenkers hing het ideaal van gelijkheid samen met het ideaal van het volledig realiseren van de menselijke potentie. Soms werd deze gedachte verwoord als geloof in de vervolmaakbaarheid van de mens. De meeste Verlichtingsdenkers hadden een optimistisch mensbeeld en zagen overal mogelijkheden tot vooruitgang. Sommigen brachten hun geloof in vooruitgang met name in verband met de uitbreiding van economische welvaart.

Uit de radicale vleugel van Verlichtingsdenkers kwam het socialisme voort. Socialisten geloofden als regel in een hogere levensstandaard voor de massa – destijds aangeduid als arbeidersklasse – en het einde van de overheersing van de samenleving door een kleine elite. In de ogen van de gelijkheidsdenkers van nu zijn wij daarentegen grillige en gevaarlijke wezens wier aspiraties aan banden moeten worden gelegd. De breed gedeelde wens om een iets welvarender leven te leiden, wordt door hen juist veroordeeld.

Deze moderne trend is in feite heel conservatief. Waar links zich ooit inzette voor welvaart voor allen, zijn de nieuwe ongelijkheidsbestrijders van mening dat we allemaal moeten afzien. Terwijl socialisten ooit   streden voor vrijheid, is het nieuwe gelijkheidsdenken een elitaire top-downbeweging. De gelijkheidsdenkers van nu zijn de vijanden van vooruitgang, vrijheid en echte gelijkheid.

Daniel-Ben-Ami-Jan-2011-nobg

Daniel Ben-Ami is een Engelse journalist en commentator. Zijn boek Ferraris for All: In Defence of Economic Progress verscheen onlangs als paperback met een extra hoofdstuk gewijd aan ongelijkheid. Zie voor meer informatie www.danielbenami.com.

 

 

 

 

 

 

Foto: CassadeyFedel/Flickr

Geef een reactie