‘Winnen is totaal onbelangrijk’

Jarenlang leefde Lucia Rijker alleen voor de eerstvolgende wedstrijd. De meervoudig wereldkampioene boksen en kickboksen gebruikt nu haar discipline en concentratie in een spiritueel leven als boeddhist.

Let op: The Optimist organiseert op 11 december een webinar met Lucia Rijker waarin ze spreekt over hoe zij als bokser en boeddhist een  verbinding ontdekte tussen geest, lichaam en ziel.

Door Elleke Bal

De avond voor haar laatste wedstrijd kon the most dangerous woman in the world niet slapen. Ze lag te draaien en te zweten in bed. Steeds weer hoorde ze dat stemmetje in haar hoofd: wat als je morgenavond knock-out gaat voor vijftienduizend mensen? Het was 19 mei 2004. De volgende dag zou ze in de ring staan met Deborah ‘Sunshine’ Fettkether. Die had voor het oog van de camera’s al geroepen dat ze in topvorm was: ‘I’m ready!’

Lucia Rijker was er helemaal niet klaar voor. En dat terwijl ze in haar carrière nog nooit een wedstrijd had verloren. Maar liefst 53 wedstrijden achtereen was ze ongeslagen. Twee maal werd ze wereldkampioen boksen en vier maal wereldkampioen kickboksen. Maar juist nu ze speciaal uit Los Angeles naar Nederland was gekomen voor deze ultieme uitdaging in haar geboorteland, was ze totaal onvoorbereid. Rijker had tijdens een eerdere wedstrijd een buikspier gescheurd en een hersenschudding opgelopen en kon niet trainen. Bovendien had ze net haar manager en trainer ontslagen na onenigheid, dus ze stond er alleen voor. Ze was ook nog eens doodsbang om te verliezen in een uitverkochte Arena.

Ter voorbereiding op de wedstrijd besloot ze te bidden. Fysiek kon ze zich toch niet voorbereiden op de wedstrijd, dus dan maar geestelijk. Chanten noemt ze dat bidden, het reciteren van spreuken uit de Lotussoetra, een van de boeddhistische geschriften. Ze ging chanten voor de overwinning, en voor een team dat tijdens de wedstrijd haar corner kon vormen: de trainer en arts die in de hoek van de ring steun en medische zorg leveren. Die corner kwam er. Een oude trainer wilde wel komen. Een bevriende arts die ook in het buitenland woonde, bleek toevallig in Nederland te zijn. Maar nog steeds twijfelde ze of ze dit gevecht wel kon winnen.

En terwijl ze de slaap maar niet kon vatten, zag ze het ineens. Het waren de ‘drie hindernissen en vier duivels’ geweest die haar al weken hadden geplaagd. Iedereen die het Nichiren-boeddhisme op de juiste manier beoefent, komt ze uiteindelijk tegen. Rijker herkende haar problemen erin: angst, tegenwerking, fysieke problemen.

Ze had geleerd dat die obstakels een projectie van haar eigen onzekerheid zijn. En dat ze moest doorzetten wanneer de drie hindernissen en vier duivels opdoemen. Pas toen geloofde ze in de overwinning. Op een papiertje schreef ze: total victory. Daar ging ze voor chanten. Tegen het stemmetje in haar hoofd zei ze: ‘Als ik morgenavond voor mijn absolute geluk knock-out moet, dan ga ik knock-out.’ Ze viel in slaap.

De dag van de wedstrijd. Met een roodgouden cape om komt ze de ring in. ‘LUCIA RIJKERRRRRR!’, galmt het door de luidsprekers. Het publiek is wild, het gejuich en geklap overweldigend. In Rijkers hoofd is het stil. Ze denkt maar aan één ding: total victory. Ze herinnert het zich nog precies, die wedstrijd. Ieder moment. Ze vertelt. ‘Ik ben maar vier keer geraakt. Haar slagen gleden langs me heen. Zoem. Zoem. Het leek wel een slowmotionfilm. Zij haalde uit, ik week uit.’

Vooraf was afgesproken dat ze maar acht ronden zouden vechten in plaats van tien, omdat Rijker een blessure had. De acht rondes waren voorbij. Rijker dacht: ik heb gewonnen! Maar de scheidsrechter riep: ‘Volgende ronde!’ Rijker was verbijsterd. Ze kon het niet geloven en protesteerde luidruchtig. Het hielp niet. De minuut rust was zo voorbij.

‘Ik besloot nog een paar seconden in de hoek te gaan zitten’, vertelt ze verder. ‘Ik haalde diep adem. Het publiek werd nog wilder. In mijn hoofd werd het nog stiller. En toen dacht ik: ik heb zo veel overwonnen, dit kan er ook nog wel bij. Dit worden m’n twee beste ronden ooit. En vloog ik door de ring, geruisloos. Het was mystiek. Ik was onzichtbaar. Het was m’n mooiste wedstrijd ooit. Ik was bewuster dan ooit en ik had diep geloof. Ongeschonden kwam ik eruit.’

Spiritualiteit
Ik protesteer. Mystiek? Bewust? Ongeschonden? Werkelijk? Ik zie agressie. Ze mept gewoon heel hard op een andere vrouw los. Onze blikken ontmoeten elkaar. We zitten tegenover elkaar in een café, met uitzicht over het Amsterdamse bos. Ze heeft een zachte blik in haar ogen en spreekt met een warme stem in een Amerikaans-Mokums accent. (‘ik ben effe me point kwijt’). Al bijna twintig jaar woont de 45-jarige Rijker in Los Angeles. Ze is in Nederland voor de promotie van haar boek Lucia Rijker, bokser en boeddhist, geschreven door George Schouten.

Het is alsof ze je voor de gek houdt. Rijker praat over boksen en spiritualiteit alsof die twee een logische combinatie vormen. Kijk naar YouTube-filmpjes van Rijkers gevechten en je ziet een boze, agressieve en gespannen vrouw door de ring denderen en rake klappen uitdelen. Maar hier tegenover me zit ze lachend en openhartig te vertellen over mystiek en spiritualiteit. Hoe heeft deze vrouw in haar leven een thuis gevonden in de boksring én in de Lotussoetra?

Ze reageert op mijn onbegrip over die agressie alsof ze in een bokswedstrijd moeiteloos een rechtse ontwijkt. ‘Als je in mijn wedstrijden agressie wilt zien, dan zie je agressie’, zegt ze rustig. ‘Je kan er ook een begaafdheid in zien, een combinatie van geest, lichaam en ziel. Boksen betekent voor mij focus, zelfcontrole en discipline. Het is een levensstijl. Voor strijden heb je een enorme focus nodig.’

Zo is het niet altijd geweest, geeft Rijker toe. ‘Toen ik begon met vechten ging ik door een fase van onrust, boosheid en onverwerkte emoties. Ik begon gewoon met heel hard slaan en schoppen, en daar bleek ik heel goed in te zijn. Pas toen ik het boeddhisme ging beoefenen, vond ik verdieping in het vechten.’

Rijker groeide op in Amsterdam-Noord, als jongste van vier kinderen. Haar vader kwam uit Suriname en werkte als onderhoudsmonteur. Haar moeder werkte in de horeca. Toen haar ouders in een scheiding lagen, vond Rijker de sport. Ze begon aan judo, voetbal, schermen en karate. Op haar veertiende ging ze op een zaterdagmiddag met haar broer mee naar een kickboksschool. Binnen zes maanden had ze haar eerste wedstrijd. Ze won 50 gulden. Weer anderhalf jaar later versloeg ze de Amerikaanse kampioen kickboksen. Het was het begin van een glansrijke carrière. De populaire krant USA Today nomineerde haar ooit voor toughest athlete of America, naast Lance Armstrong en Tiger Woods.

‘Als in een soort waanvoorstelling dacht ik in die tijd dat ik voor gerechtigheid vocht’, zegt Rijker. ‘Ik zei dat ik vocht voor de rechten van vrouwen om te kiezen wat ze willen. Boksen was lange tijd alleen weggelegd voor mannen. Dat vond ik oneerlijk. Maar ik was gewoon heel boos.’

Rijker kon alles kwijt in het kickboksen, maar sloot zich er ook in af. Ze was een verlegen tiener. Als er na een wedstrijd een enthousiaste verslaggever op haar af kwam, wist ze vaak zijn vragen met niet meer dan schouderophalen te beantwoorden. ‘Eigenlijk was ik gevoelloos in die tijd’, zegt Rijker achteraf. ‘Veel later werd ik me pas bewust van mijn keuzes en gevoelens en dacht ik: waarom vecht ik eigenlijk, waarom heb ik zo’n onrust in mezelf? Ik heb moeten leren praten. Ik moest wakker worden.’

Alle tegenslagen een levensles
In het onlangs verschenen boek over haar vertelt Rijker hoe ze ontdekte dat er zoiets als een innerlijk leven bestond. Hoe ze leerde dat alle tegenslagen een levensles vormden. Over die tegenslagen praat ze voluit. Dat haar trainer haar als tiener seksueel misbruikte. Dat haar moeder een hersenbloeding kreeg en daaraan overleed. Hoe ze op haar 32ste ontdekte dat ze ‘van de melkboer’ bleek te zijn, dat de vader met wie ze opgroeide niet haar biologische vader is.

In 1994 verhuisde Rijker naar Los Angeles, waar ze haar bokscarrière verder wilde ontwikkelen. Van een van haar boksleerlingen leerde ze over het boeddhisme van de Japanse monnik Nichiren Daishonin. Nichiren bekritiseerde in de dertiende eeuw de destijds populaire stromingen van het boeddhisme, die de belangen van de rijke minderheid verdedigden. Hij riep machthebbers op om beter te zorgen voor de armen. Volgens deze monnik kan iedereen gelukkig worden en verlichting bereiken. ‘Hij wilde dat iedereen het boeddhisme kon beoefenen’, zegt Rijker. ‘Iedereen kan de eerste stappen naar bewustzijn maken, ook een bokser. Dat sprak me aan.’ Ze sloot zich aan bij Soka Gakkai, de organisatie die wereldwijd zijn gedachtegoed verspreidt.

Nichiren zag het reciteren van de zin Nam-myoho-renge-kyo als de manier om kracht te vinden om iedere tegenslag te overwinnen. In de fonetische Japanse uitspraak van de Chinese karakters zei hij: ‘Ik wijd me aan de Lotussoetra.’ In deze soetra staat dat alle mensen boeddhaschap kunnen bereiken. De woorden van deze zin hebben volgens Rijker een veel diepere betekenis: breng me in het ritme van het universum.

Rijker vond het mooi dat ze met deze vorm van boeddhisme heel simpel kon beginnen. ‘Er wordt je weinig opgelegd, alleen dat je twee keer per dag chant. Dan komen er dingen in beweging en word je heel langzaam wakker. In je eigen tempo.’ Rijker vertelt dat ze beter inzicht in zichzelf kreeg. Soms had ze last van dwangmatig eten. Als ze even niet intensief aan het trainen was of een blessure had, liep ze naar de ijskast. ‘Ik kon er niet vanaf blijven’, zegt ze nu. ‘Dan ging ik wel eens op m’n handen zitten en vroeg ik mezelf: wat is er? En als ik dan lang genoeg bleef zitten, kreeg ik antwoord. Het was net alsof ik naar een kind in mezelf luisterde. Een meisje in mij, dat lang genegeerd was. Ze had behoeftes. Daar moest ik naar luisteren.’

Rijker is even stil. Ze eet een paar happen van haar salade. En als ze eet, dan praat ze niet. Ze is met al haar aandacht bij alles wat ze doet. Haar chihuahua Quincy, die naast haar op de stoel ligt, gaapt, draait zich om en valt weer in slaap.

Wilde dat meisje, waarnaar ze voor het eerst luisterde, ook vechten? ‘Natuurlijk niet’, zegt ze beslist. ‘Maar tijdens het vechten zette ik haar in de kast. En daarna mocht ze er weer uit. Maar later begon ik ook tijdens de training met haar te communiceren. Dan was er ook in de opbouw naar de wedstrijd meer ruimte voor haar.’

Zo begon ze het boksen te zien als een manier om zichzelf te leren kennen. ‘Eerder interesseerde het me eerlijk gezegd niet of ik m’n tegenstander dood zou slaan of niet. Later wel. Je hebt je tegenstander nodig.’

Rijker realiseerde zich, dankzij het boeddhisme, dat ze veel meer was dan een bokser. Na het gevecht in de ring leerde ze haar ego weer af te breken om terug te gaan naar haarzelf. Als topsporters dat niet doen en zich alleen maar identificeren met winst en hun ego, gaat het mis, vertelt ze. ‘Die verliezen zich bijvoorbeeld in drank of drugs.’

Dicht bij de dood
Sport en spiritualiteit staan dicht bij elkaar. Focus, discipline, concentratie en herhaling zijn allemaal elementen die in sport en in meditatie terugkomen. En dat geldt al helemaal voor boksen. Als je op het hoogste niveau vecht en de kans hebt om ieder moment knock-out te worden geslagen, ben je dicht bij de dood. En die confrontatie leidt al gauw tot een confrontatie met vragen over het leven.

‘Als je bokst, leef je alleen voor de eerstvolgende wedstrijd’, zegt Rijker. ‘Verder moet je niet kijken. Je kan je niet met de toekomst bezighouden, of met wat andere mensen over je denken. Je moet het bij jezelf houden. Want je weet nooit wie er wint. De uitkomst staat nog niet vast, en dat betekent dat je met je mind het gevecht kunt beïnvloeden. Met hardlopen weet je negen van de tien keer wie de favorieten zijn. Met boksen weet je het nooit. Voor een wedstrijd praatte ik met niemand. Drie dagen van tevoren begon ik stil te worden en te visualiseren. Winnen, dat was het enige waar ik aan dacht. De beste zijn.’

Dat klinkt bekend.‘I am the greatest!’ Muhammad Ali was de intentiemeester. ‘Wilskracht is belangrijker dan techniek’, zei hij vaak. Voor een wedstrijd paste hij wekenlang zelfmotivatiemethoden toe. Hij trainde zijn geest nog meer dan zijn lichaam, door te visualiseren hoe hij klappen zou ontwijken, of hoe hij een stoot het best kon plaatsen. Ali had de wedstrijd al honderden keren in zijn hoofd gebokst voordat hij de ring instapte. En hij herhaalde zijn intenties vaak. Ook voor de pers. ‘Archie Moore is sure to hug the floor by the end of four’, zei hij dan stoer. Opvallend vaak werden zijn intenties werkelijkheid. Het is bewezen dat mentaal trainen in de sport bijna net zo veel effect heeft als lichamelijke training.

Hoe meer Rijker uitweidt, hoe beter het me lukt om te zien hoe boksen en boeddhisme samen kunnen gaan. Rijker is er altijd mee bezig: mentaal trainen, visualiseren, intenties uitspreken. Niet alleen toen ze nog bokste, maar nog steeds. Als ze Nam-myoho-renge-kyo chant, twee maal per dag, soms uren achtereen, schrijft ze nog steeds vaak een intentie op een briefje. Die intenties kunnen grote thema’s zijn als liefde en compassie, maar ook een gebed voor een speciaal iemand, of een wens om te accepteren wat er die dag op haar pad komt.

Rijker noemt zichzelf een extremist. ‘Ik deed altijd al veel dingen om mezelf continu te verrijken en te verdiepen in de sport. Als atleet was het voor mij heel belangrijk, omdat ik steeds beter wilde worden.’

Met haar ogen dicht zegt ze: ‘A sword is useless in the hand of a coward.’ Het is een zin uit de Lotussoetra. Eerst had Rijker er veel moeite mee, met die uitspraak. Ze had het gevoel dat haar ego werd uitgedaagd, dat ze moest bewijzen dat ze het waard was om te vechten. Maar uiteindelijk besefte ze dat ze naar zichzelf moest leren kijken om verder te komen en de boosheid uit haar jeugd onder ogen te komen.

De confrontatie aangaan
‘Als ik de moed niet heb om de confrontatie met mezelf aan te gaan, om mijn angsten te overwinnen, dan is het zwaard useless, hoe veel talent ik ook heb.’ Ze vertelt over de Japanse samoeraivechters, die het zenboeddhisme gebruikten om hun angst voor gevechten en de dood te overwinnen. ‘Je bent altijd in gevecht met jezelf, met je eigen demonen, je eigen angsten. Die moet je eerst overwinnen, voordat je het gevecht aan kan gaan.’

In het Nichiren-boeddhisme wordt ook wel gesproken over het omzetten van vergif in een medicijn. Met vergif worden ongeluk en tegenslag bedoeld, het medicijn gaat om het overwinnen van die tegenslagen. ‘De vraag is of je de kracht hebt om verlies, pijn en verdriet om te zetten in vreugde en voorspoed’, zegt Rijker. ‘We kunnen tegenslag gebruiken om gelukkiger te worden.’

Het is nu bijna tien jaar geleden dat Rijker haar wedstrijd in de Arena won, haar laatste gevecht. Ze bokst niet meer, maar geeft nog wel les. Een vechter was ze, nu ziet ze zichzelf meer als coach. Ze reist de wereld over, geeft lezingen en workshops. ‘Vroeger zei ik bijna niks, nu moet je me af en toe uitzetten’, lacht ze aan het eind van ons gesprek.

En hoe vreemd het eerst aandeed om de vrouw die zo hard om zich heen mepte te horen praten over spirituele thema’s, hoe logisch het na dit gesprek ineens klinkt dat je alleen maar ’s werelds gevaarlijkste vrouw kunt worden als je de moed hebt om jezelf in de ogen te kijken.

Rijker heeft eens gezegd dat ze graag een wijze oude vrouw wil worden, bij wie mensen terechtkunnen voor raad, wijsheid en compassie. ‘Winnen was jarenlang het allerbelangrijkste voor mij’, zegt ze. ‘Uiteindelijk blijkt het totaal onbelangrijk.’

Elleke Bal, teruggekeerd vanuit San Francisco op ons redactiekantoor in Rotterdam, houdt het toch maar bij tennis.

Bekijk een filmpje waarin Lucia Rijker antwoord geeft op de vraag ‘Wat is Optimisme’?

Let op: The Optimist organiseert op 19 februari een webinar met Lucia Rijker waarin ze spreekt over hoe zij als bokser en boeddhist een  verbinding ontdekte tussen geest, lichaam en ziel.

Foto: Pieter de Swart

Geef een reactie