Magazine Issue: 56 mei 2003 2003

Fatale oogst

Marco Visscher

Terwijl voldoende voedsel wordt geproduceerd, lijdt een groot deel van de wereldbevolking aan honger. Intussen nemen in het Westen welvaartsziekten toe vanwege ongezonde voeding. Ode ging op onderzoek uit en verhaalt over de verwoestende mythen van de moderne landbouw.

Marco Visscher | 56 mei 2003
Voedsel begint bij boeren – en daar hebben we er steeds minder van. Niet verwonderlijk, want de concurrentie is moordend en strekt zich uit over landsgrenzen. Vooral kleine boeren in ontwikkelingslanden zijn daarvan het slachtoffer. In Brazilië bijvoorbeeld is het aantal boeren in tien jaar tijd gedaald van 23 miljoen naar 18 miljoen, op de Filippijnen is zelfs de helft van de graanboeren werkloos geraakt en gevreesd wordt voor het voortbestaan van vele miljoenen boeren in Afrika en Zuid-Azië, waar landbouw het belangrijkste middel van bestaan is.
De verdwijning van de kleine boer met zijn eigen grond valt niet toevallig samen met de opkomst van de industriële landbouw. Grootschaligheid, monocultuur en veel technologische en chemische toevoegingen zijn de pijlers van deze landbouwmethode. Ze beroept zich op grote successen, maar in werkelijkheid vormt industriële landbouw een bedreiging voor hongerbestrijding, milieu en voedselveiligheid (zie de zes mythen op de komende pagina’s). De ‘agro-industrie’ is in handen van slechts een aantal Westerse ondernemingen dat de hele voedselketen controleert: van het zaadje tot aan de supermarkt. Zij bepalen de prijzen – en die vallen voor boeren steeds lager uit – en hebben een hele batterij aan lobbyisten in dienst om de internationale politiek te beïnvloeden.
Misschien wel de machtigste van die bedrijven is Cargill – en als u daar nog nooit van had gehoord, is dit Amerikaanse familiebedrijf ‘sinds 1865′ geslaagd in zijn streven naar weinig publieke bekendheid. Waarom wil Cargill – jaarlijkse verkoopcijfers van rond de 50 miljard dollar – niet volop in de publieke belangstelling? Mogelijk omdat het aan de wereld vrijwel geen andere bijdrage levert dan de zelfverrijking van zo’n tachtig familieleden die het bedrijf in eigendom hebben.
Cargill is een soort makelaar, die tegen de laagste prijzen tarwe, maïs, sojabonen, suiker, katoen et cetera opkoopt en met de hoogste winsten doorverkoopt. Vandaar dat Cargill een belangrijke motor was achter de oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), die zich er voor inzet handelsbelemmeringen voor ondernemingen weg te nemen. En waar kun je tegen lagere prijzen inkopen doen dan in ontwikkelingslanden? Met een handelsafdeling in het belastingparadijs van Panama ontwijkt Cargill ook nog eens een flinke belastingheffing. Voor de familie Cargill is globalisering een droom die is uitgekomen.

Door de industriële landbouw en globalisering die mede dankzij bedrijven als Cargill is opgekomen, leggen landen zich voornamelijk toe op de productie van één bepaald product. Dat lijkt gunstig. Immers, economische theorieën zeggen dat het goed is als landen zich specialiseren. Ze exporteren hun specialiteit en met de opbrengst kunnen zij de producten kopen – importeren – die ze niet zelf kunnen maken of verbouwen. Handel, dus. Dat is precies wat de topeconomen van de Wereldbank en het IMF betogen. De theorie is fraai, maar gaat mank in een wereld met ongelijke verhoudingen – zeg maar: déze wereld.
Een voorbeeld. Brazilië heeft zich onder druk van de Wereldbank en het IMF toegelegd op de productie van steeds meer sojabonen. Maar wat hebben de 16 miljoen hongerige Brazilianen hieraan als die sojabonen worden verscheept naar Europa en Japan, waar ze voornamelijk dienen als voeding voor runderen, varkens en kippen? Zijn de Brazilianen niet beter af als ze voedingsgewassen voor zichzelf kunnen produceren op hun vruchtbare grond? De hoogste prioriteit van de pas aangetreden Braziliaanse president Lula is dat hij de honger uit zijn land wil verdrijven, maar hij zit vast aan afspraken die zijn voorganger Cardoso maakte met internationale instellingen. Miljoenen Brazilianen zullen nog jarenlang met een hongerige maag in slaap vallen. Datzelfde geldt voor vele miljoenen anderen in ontwikkelingslanden waar katoen, koffie, tabak of bloemen worden verbouwd: luxe-producten bestemd voor export naar de Westerse wereld.
Of neem Malawi, waar de ergste hongersnood sinds tientallen jaren nog altijd om zich heen grijpt. Het is waar, dat perioden van droogte daartoe hebben bijgedragen, maar om zulke perioden door te komen, zijn altijd graanreserves aangelegd. Maar onlangs heeft de regering van Malawi deze reserves moeten verkopen. De Wereldbank en het IMF vonden het belangrijker dat de staatsschuld werd afgelost. Dus heeft Malawi vorig jaar 70 miljoen dollar van zijn schulden terugbetaald, op een moment dat het land afstevende op een humanitaire rampsituatie. Gevolg: zeventig procent van de boerenfamilies zijn in extreme armoede en honger beland. Ook nu wordt – wederom onder druk van het IMF – op meer dan de helft van de landbouwgrond exportproducten verbouwd.
Handel is pas een oplossing als landen gelijke kansen hebben. Voorlopig is daarvan geen sprake. Amerikaanse en Europese boeren krijgen miljardensteun van hun overheden, waarmee overschotten worden geproduceerd die ze goedkoop verkopen op de buitenlandse vrije markt. Vanwege de dumpprijzen die Amerikaanse en Europese boeren kunnen hanteren, neemt de marktwaarde af van producten die boeren uit andere delen van de wereld maken. Concurrentievervalsing is hier nog een sympathiek woord voor. Zoals Anuradha Mittal, mede-directeur van Food First, zegt, treden rijke landen op als een omgekeerde Robin Hood: stelen van ‘s werelds armen om de rijke industriële landbouwbedrijven te versterken.

Voedselhulp dan? Is dat een oplossing? Helaas. Voedselhulp houdt de gevestigde structuur overeind en zal niets veranderen aan de exportdwang. Tijdens de hongersnood in Ethiopië in 1984 stuurde de hele Westerse wereld voedselhulp; intussen bleef Ethiopië meer exporteren dan het aan hulp ontving. Bovendien komt voedselhulp – evenals vele andere vormen van ontwikkelingshulp – nauwelijks terecht bij de mensen die de steun het hardst nodig hebben. Zelfs noodhulp eindigt niet zelden in het verstevigen van de positie van buitenlandse ondernemingen die de nationale graanmarkt in handen hebben.
Inmiddels hebben Amerikaanse agro-bedrijven het belang van honger ingezien. In landen waar honger heerst, hebben zij een afzetmarkt ontdekt voor hun genetisch gemanipuleerde voedingsmiddelen. Onlangs heeft de Amerikaanse regering een aanbod gedaan aan Zambia: 50 miljoen dollar mits het geld wordt besteed aan genetisch gemanipuleerde maïs uit de Verenigde Staten en dus niet – bijvoorbeeld – aan de rijstoverschotten in India die veel goedkoper zijn. Ook Zimbabwe, Mozambique, Lesotho en Malawi kregen dergelijke voorstellen. Bedelaars hebben niet te kiezen, had een woordvoerder van USAid al eens eerder gezegd toen India voor dezelfde keuze werd gesteld.
De Zuid-Afrikaanse organisatie Biowatch vindt het Amerikaanse aanbod een aanfluiting: ‘Afrika wordt behandeld als de vuilnisbak van de wereld. Het geven van niet-geteste voeding en zaden is geen daad van liefdadigheid, maar een poging om Afrika in een situatie te lokken van nog meer afhankelijkheid van buitenlandse hulp.’ Daarom heeft Zambia de hulp geweigerd, in navolging van Ecuador, Bolivia, Colombia, Guatemala, Nicaragua en Bosnië, waar in sommige gevallen de regering werd overgehaald na massale protestacties op straat. Eerder waren India en Burundi er achter gekomen dat Amerikaanse voedselhulp genetisch gemanipuleerd was zonder dat het hen was verteld.
Biotechnologie is niets minder dan een nieuwe poging van de agro-industrie om controle uit te oefenen op de hele voedselketen. De opkomst van genetisch gemanipuleerde koffie, bedacht en ontwikkeld in de Verenigde Staten, bedreigt de werkgelegenheid van zestig miljoen koffieplukkers in meer dan vijftig landen waar al veel werkloosheid heerst. Ook genetisch gemanipuleerde katoen zal tientallen miljoenen boeren van hun land drijven om plaats te maken voor uitgestrekte, geautomatiseerde katoenplantages. Waar moeten deze mensen naartoe? Naar de overbevolkte stad?

Grenzen tussen landen mogen dan zijn opgeheven, de afstand tussen producent en consument is groter geworden. Een Zweeds onderzoeksinstituut achterhaalde eens het productieproces van een fles tomatenketchup. De tomaten kwamen uit Italië. Verpakt in steriele zakken uit Nederland werden ze geëxporteerd naar Zweden. De flesjes waren geproduceerd in Groot-Brittannië met materiaal uit Japan, Italië, België en de Verenigde Staten. Het dopje kwam uit Denemarken Voor het gemak zijn etiketten, lijm en karton buiten de analyse gehouden, evenals de productie en transport van kunstmest, bestrijdingsmiddelen en de nodige machines.
Ook de afstand tussen mens en natuur is toegenomen. Industriële landbouw pleegt een ingrijpende aanslag op het milieu. Dat is begonnen met de veelbelovende introductie van kunstmest, die na de Tweede Wereldoorlog menig boer verbaasde met aanmerkelijk hogere opbrengsten. Die jubelstemming is allang verdwenen. Kunstmest schaadt de vruchtbaarheid van de grond, verandert het bodemsysteem en vervuilt water en lucht.
Dit is hoe het werkt. Kunstmest bestaat uit stikstof, fosfor en kalium. In de bodem heeft deze combinatie een versterkend effect op alles wat leeft van deze drie mineralen. Dat gaat ten koste van de organismen die andere voedingsbronnen nodig hebben. Het evenwicht in de bodem raakt verstoord, waardoor vocht en lucht minder goed zijn vast te houden. Daardoor is meer irrigatie nodig. Het water lekt door de poreuze grond, waardoor voedingsstoffen geen houvast vinden en wegdrijven. Met minder zuurstof daalt de groei van de micro-organismen in de bodem en het complexe ecosysteem van biologische uitwisselingen neemt af. De zuurgraad neemt toe, waardoor nog meer organisch materiaal afbreekt. Beetje bij beetje slaat water de vruchtbare toplaag van de bodem weg.
De oplossing die industriële landbouw aandraagt voor het voortdurend proces van afname van voedingsstoffen in de grond is: meer kunstmest. Zoiets heet een neerwaartse spiraal. En erger nog: de averechtse effecten van kunstmest houden niet op bij de grens van de boerderij. Stikstof komt terecht in het water, maar ontsnapt ook in vluchtige zuurstofverbindingen in de atmosfeer.
Combineer nu kunstmest met bestrijdingsmiddelen die gewassen moeten beschermen tegen ziekten, plagen, onkruid en insecten of moeten stimuleren tot snellere groei. Enthousiast werden – vanaf de jaren vijftig – deze chemische toevoegingen aangewend. Opnieuw leek het een gouden greep. Boeren waren zo tevreden dat ze zich toelegden op één enkel gewas, maar kwamen er achter dat daardoor meer ziekteverwekkers in de bodem konden ontstaan. Meer bestrijdingsmiddelen luidde het antwoord van de industriële landbouw. Maar de genetische code van het microleven in de bodem veranderde en ziekteverwekkers werden resistent voor de middelen. De oplossing? Inderdaad, meer en sterkere bestrijdingsmiddelen. Opnieuw een neerwaartse spiraal.

En met de bestrijdingsmiddelen zijn we weer terug bij de verdwijning van de boeren. Ditmaal erg letterlijk. Deze chemicaliën worden overtuigend aangemerkt als veroorzaker van hersenbeschadiging, kanker, onvruchtbaarheid, miskramen, schade aan ogen, huid en luchtwegen, misselijkheid, longklachten, nierklachten, astma, migraine, concentratieverlies, aantasting van het immuunsysteem – en nog een hoop andere ernstige aandoeningen die een mensenleven vernietigen.
Etiketten schrijven beschermende kleding, waterdichte laarzen, handschoenen en gasmaskers voor, maar in ontwikkelingslanden zijn het ongeschoolde arbeiders die op blote voeten in lichte kleding dit werk doen. Controlediensten ontbreken of zijn corrupt. Door overheden zijn deze middelen niettemin goedgekeurd, doordat wetenschappers in hun laboratoria korte termijn effecten bij dierproeven in kaart brengen, terwijl de meeste schade wordt aangericht door continue blootstelling. In Europa en de Verenigde Staten zijn een aantal van deze middelen verboden. Toch worden ze vanuit deze landen nog steeds geëxporteerd naar andere landen waar ze kennelijk geen gevaar vormen.
Kinderen van boeren in de Amerikaanse staat Washington die bestrijdingsmiddelen op het land gebruiken, hebben een drie tot twintig keer hogere dosis van die middelen in hun urine dan nog als ‘veilig’ wordt aangemerkt. Kanker bij kinderen komt op boerderijen vaker voor dan in de stad. Alleen al wonen in een omgeving van 2,5 kilometer van bessenvelden in het Amerikaanse Cape Cod verhoogt voor kinderen het risico op een hersentumor. En hoewel een relatie natuurlijk niet meteen een oorzakelijk verband betekent, is het verontrustend dat in laboratoria kankercellen zich sneller vermenigvuldigen in de aanwezigheid van bepaalde bestrijdingsmiddelen.
Dat waren cijfers voor de Verenigde Staten waar statistieken worden bijgehouden – zij het over dit thema niet bepaald in overvloed. In ontwikkelingslanden zijn het vooral alledaagse ontmoetingen en anekdotes die het drama van de bestrijdingsmiddelen vertellen. Moyra Bremner, auteur van GE: Genetic Engineering and You, tekende het verhaal op van dorpsbewoners van Kasargod in India, waar de opkomst van grootschalige, industriële landbouw zich vertaalde in helikopters die endosulfaan sproeiden over de plantages van cashewnoten. Kinderen renden hun huizen uit om de onverwachte regen op te vangen die ook op de bomen, de straat en de huizen viel. Endosulfaan verstoort de hormoonhuishouding. Twintig jaar later is het dorp een afgrijzenwekkend voorbeeld van wat bestrijdingsmiddelen kunnen doen. In 183 huizen zijn 279 gevallen van ernstige ziekten. Sinds de helikopters overvliegen, zijn onvruchtbaarheid, kanker en suïcidale depressies enorm toegenomen. Kinderen met een waterhoofd, dwerggroei of verstandelijke handicaps zijn heel gewoon geworden.
Het opvallendst in het dorp waren de fysieke handicaps. Er is het verhaal bekend van een meisje wier hoofd steeds groter groeide tot het bijna uit elkaar zou knappen, totdat het opeens kromp en ze een pijnlijke dood stierf. Een lokale dokter die haar bloed onderzocht, ontdekte dat ze 637 keer meer endosulfaan in haar lichaam had dan was toegestaan. Toch duurde het vier jaar voor het gif werd verboden.
Bremner vraagt zich af of we nog het recht hebben om onszelf geciviliseerd te noemen. Goede vraag. Hoe lang kunnen we dit systeem nog blijven volhouden? Biologische voeding van kleine, lokale boeren is niet langer een keuze voor luxe, maar een kwestie van leven en dood. Voorlopig is het woord aan de consument. Waar staat u?

Add a comment

What is 6 + 3 ?
Please leave these two fields as-is:
Please answer this question to help us combat spam.

Huidig Nummer

Cover 2014 juli:aug


Bekijk alle

Evenementen en cursussen

Tags