Magazine Issue: 128 juli/augustus 2010 2010

Boer zoekt stad

Ineke Noordhoff

Stadslandbouw is meer dan een grensoverschrijdende modegril. Ze verandert onze relatie met voedsel — voor altijd.

Ineke Noordhoff and Casey Miner | 128 juli/augustus 2010

’Ecologische vrijstaat’ Swomp laat zien hoe je duurzaam eten kunt verbouwen midden in de Amsterdamse woonwijk de Pijp.

De tomaten die zijn leven veranderden, kan Dave Bell zich nog levendig herinneren. Prachtige tomaten waren het, in bijna alle kleuren van de regenboog. Ze lagen te glimmen in een schap van kruidenierszaak Liberty Heights Fresh in Salt Lake City, Verenigde Staten. Dave en zijn vrouw Jill, die destijds net waren begonnen met daten, deden vaak hun boodschappen bij de winkel en vroegen de eigenaar waar de tomaten vandaan kwamen. ‘Europa’, zei hij. Boeren teelden ze daar in kassen.

Dave kon zijn oren niet geloven. De kosten van de teelt, het energieverbruik, tomaten per vliegtuig naar de andere kant van de wereld vervoeren — hoe kon dat nu duurzaam zijn? Waren er dan geen lokale tomatentelers? ‘Was dat maar zo’, zei hij. ‘Ik zou alles kopen wat ze verbouwden.’

Dave en Jill kwamen die avond thuis en trokken een flesje wijn open. Ze keken elkaar aan en Dave zei: ‘Zin om een boerderij te beginnen?’

Dat was 1998. Zonder veel ervaring met land- of tuinbouw kochten ze een huis met een grote tuin en begonnen enkele groenten te verbouwen. Nu, twaalf jaar later, hebben de Bells zes deeltijdwerkers in dienst die hen helpen zeven hectare grond -middenin en aan de rand van Salt Lake City te bewerken, en zijn ze in gesprek met de gemeente over het pachten van land, waardoor ze zouden kunnen uitbreiden naar zestien hectare. Ze verkopen aan lokale restaurants en winkels, waaronder Liberty Heights Fresh. En ze runnen een door de gemeenschap ondersteund landbouwproject dat elke week vierhonderd families uit de buurt van verse producten voorziet. Hun agrarische onderneming, die verspreid ligt door heel de stad op drie stukjes grond, wordt aan alle kanten omringd door flats, kantoorgebouwen, winkelcentra en appartementen. ‘Het is niet echt superhandig,’ beaamt Dave, ‘maar het is nu eenmaal zo.’

Als de jaren zestig van de vorige eeuw het decennium was waarin stadsmensen in welvarende landen het platteland verkozen, dan staan we nu aan de vooravond van het decennium waarin zij — of, beter gezegd: hun nageslacht — weer terugkomen. Niemand houdt officiêle cijfers van het aantal stadsboerderijen bij, maar boerderijen zoals die van de Bells hebben broertjes in het hele land en door heel Europa, inclusief Nederland. Het bedrijfsmodel van de stadsboeren verschilt, maar ze hebben twee dingen gemeen: ze zetten zich allemaal in voor vers, duurzaam verbouwd voedsel voor hun gemeenschap, en ze zijn vastbesloten een normaal onderdeel van het stadsleven te worden.

En de stadsinwoners willen dat ook. De laatste jaren is onder stedelingen de interesse in voedselproductie geêxplodeerd. Er is een hernieuwde fascinatie voor de herkomst van hun maaltijden. Boeken als The Omnivore’s Dilemma van Michael Pollan en documentaires als Food Inc. hebben de milieu- en gezondheidskosten blootgelegd van een gecentraliseerd, door bedrijven gecontroleerd voedselsysteem. Bloggen over je zoektocht naar streekproducten lijkt wel een nationale hobby geworden. Moestuinen zijn helemaal in en kippenhokken zijn niet aan te slepen. Boerenmarkten zijn nog nooit zo populair geweest en zijn bijna in elke plaats te vinden; sommige, zoals de Nieuwmarkt in Amsterdam, zijn alleen voor biologische en streekproducten.

Maar er is een groot verschil tussen een paar wortels planten en een gemeenschap voeden. En met een wereldbevolking die zich steeds meer in stedelijke gebieden concentreert, rijst de vraag hoe we al die mensen van eten moeten voorzien. De huidige stadsboeren hebben lang niet allemaal een landbouwachtergrond; veel van hen zijn net als de Bells min of meer bij toeval in dit beroep beland. Maar na een paar jaar oefenen, verkeren ze inmiddels in een uitstekende positie om ook op de lange termijn te blijven boeren.

Gezien het economische klimaat lijkt het misschien riskant om een langetermijninvestering in een boerderij te doen. Maar het is een gok die deze nieuwe boeren bereid zijn te wagen. In een tijd die wordt gekenmerkt door reorganisaties en bezuinigingen zijn veel stadsboeren juist aan het uitbreiden. Stadsgrond, die normaal gesproken het meest waard is voor de bouw, blijft te koop staan, en veel lokale overheden zijn bereid land voor minimaal enkele jaren te verpachten aan boeren.

Op de lange termijn is niets zeker: de economie kan zo opeens weer aantrekken, de steden kunnen hun land weer terugnemen, de populariteit van lokaal voedsel kan even snel afnemen als die van het Atkins-dieet (kent u die nog?). Maar wanneer boerderijen als bedrijven stand kunnen houden en bewijzen dat ze in staat zijn hun gemeenschappen te voeden, dan zouden ze onze relatie met voedsel wel eens voor altijd kunnen veranderen.

Terwijl Dave Bell op een lentedag in een van zijn velden staat te bellen, dreunt hij een lijstje op van aangeboden gewassen. ‘Op dit moment’, zegt hij, ‘kijk ik naar broccoli, wittekool, boerenkool, koolrabi, tuinbonen, uien, prei, doperwten, sjalotjes, knoflook, selderij, Chinese kool, spinazie, bieten, knolrapen, mosterdplanten, rucola, snijbieten, tien soorten pepers, veertig soorten wilde tomaten.’ Dat was nog maar het begin.

Het was een indrukwekkende lijst voor iemand die zichzelf naar eigen zeggen jarenlang had gevoed met goedkoop, voorverpakt voedsel. Hoewel er boeren in zijn familie waren, had Dave zelf nooit op het land gewerkt. Hij hield zich het liefst bezig met klimsport en had door de jaren heen talrijke baantjes gehad, van steigerbouwer tot medewerker bij de televisie. Maar hij had altijd zijn eigen baas willen zijn, en toen hij en Jill met hun tuin begonnen, ontdekte Dave al snel dat hij van het boerenleven hield.

Destijds, zegt hij, had hun project nog niets van de sociaal-culturele allure die het nu heeft. ‘Toen we begonnen, was het feit dat we lokaal voedsel teelden niet bijzonder sexy’, aldus Bell. ‘Het werd erg belangrijk gevonden dat we biologisch teelden, maar destijds bestond er nog steeds het romantische idee van producten uit exotische oorden. Pas vijf of zes jaar geleden zagen we een paradigmaverschuiving.’

Het verschil tussen hoe mensen tegenwoordig reageren op het idee van stadslandbouw en hoe ze dat nog maar een paar jaar geleden deden, is werkelijk spectaculair, zegt boerin en schrijfster Novella Carpenter. Sinds enkele jaren runt zij een kleine boerderij vanuit haar achtertuin en een aangrenzende leegstaande kavel in een verloederde achterbuurt in Oakland aan de baai van San Francisco. Naast groentes heeft ze ook bijen, konijnen, geiten, eenden, kippen, kalkoenen en varkens gehad op haar kleine boerderij.

Vroeger moest Carpenter voortdurend uitleggen wat ze deed. En nu? ‘Mensen snappen het.’ Er zijn meer mensen die de term ‘voedselwoestijn’ (een wijk zonder kruidenierzaken of verse producten) begrijpen en die bezorgd zijn over ‘voedselkilometers’ (de afstand die wordt afgelegd voordat het eten op je bord ligt). Ze willen weten waar hun voedsel vandaan komt — en als dat kan zonder hun stadsleven op te geven, des te beter.

Zoals veel stadsboeren begon Carpenter haar project om te kijken of ze zichzelf kon voeden. Het duurde niet lang voordat ze ook aan haar buren leverde, en daarna genoeg geld ging verdienen om eten voor haar dieren te kopen. Nu, zegt ze, heeft de opbrengst van haar kavel ‘zijn plafond bereikt’. Vandaar dat ze een manier probeert te vinden om uit te breiden, een situatie waarin vele stadsboeren nu verkeren.

‘Stadslandbouw begon met nonprofits’, zegt Carpenter. ‘En dan waren er mensen zoals ik: de achtertuinhobbyisten. Nu zie ik steeds meer mensen die geld proberen te verdienen met stadslandbouw. Zij beschouwen het als een commerciêle activiteit.’

In Nederland getuigen de schooltuinen, moestuinen en volkstuinen van het verlangen om in de stad eten te verbouwen. ’s Zomers ontstaan zelfs complete leefgemeenschappen aan de rand van de stad, compleet met jetset, allochtonen, burenruzies en bestuurscrises. Lees De Zaadvergadering van journalist Tony van der Meulen er maar op na. In Lelystad is er zelfs een ‘tuinbutler’, die inspeelt op de trend om zelf groente te verbouwen: je zaait en oogst zelf in je eigen moestuin, maar het vervelende onkruid wieden laat je over aan ‘butler Tim’. Ook de industrie verzint producten om de groeiende honger naar eigen verbouwde groenten te stillen. Zo bracht potgrondproducent Naturado de Tomaten Groeizak op de markt, die op elk balkon past: een plastic zak met aarde en alle groeistoffen die tomaten nodig hebben. Koop een plantje, prik een gat in je zak, stop de plant erin en een paar weken later begint de oogst.

Intussen verrijzen in grote steden zogeheten smulbossen, grazen schapen in de bermen van Rotterdam en leveren groenvoorzieningen voer voor allen. Gemeenten kiezen niet alleen voor kastanjebomen; ook appels en bessenstruiken krijgen plaats in plantsoenen om burgers meer voeling met voedsel te bezorgen. In Amsterdam heeft de ecologische vrijstaat Swomp zich ontfermd over ongebruikte grond en daar een ‘ekologische experimenteertuin’ gemaakt om stedelingen te laten zien hoe je op een duurzame en klimaatneutrale manier kunt leven. Ook elders worden braakliggende terreinen benut door buurtinitiatieven. Eetbaar Nederland is een bureau dat is ‘gespecialiseerd in het advies, ontwerp, onderwijs, aanleg en onderhoud van eetbare groensystemen’, van een kleine achtertuin tot een volledig eetbare groenstrook midden in een woonwijk.

De meer professionele voedselproductie, die eerder door stadsuitbreidingen werd weggejaagd, komt hier en daar dankzij groeiende belangstelling terug in dichtbebouwde gebieden. Bij Kwekerij Osdorp, in Amsterdam Nieuw-West, merken ze hoe leuk stedelingen en kinderen het vinden om langs te komen om te zien hoe groenten — inclusief de gele komkommers en roodlof — groeien. ‘En helemaal om voedsel te oogsten’, vult Walter Abma aan. Met drie anderen nam Abma ruim een jaar geleden de rozenkwekerij over, waarna ze die verbouwden tot een groentenkwekerij. ‘Wij maken in Amsterdam voedsel voor de Amsterdammers’, zegt Abma. Een nog te openen winkel moet klanten naar het bedrijf lokken.

Jan Duijndam boert al jaren aan de rand van Den Haag. Zijn bedrijf is ingesloten door bebouwing en kan geen enkele kant meer op groeien. Daar heeft Duijndam zich bij neergelegd. ‘Laat mij alsjeblieft in de drukke Randstad blijven’, zegt hij. ‘Ik ben een gezelligheidsmens. Ik zou absoluut niet naar Flevoland willen.’

Duijndam noemt zichzelf een praatboer. Zijn woorden vullen de kamer zodra hij binnenwandelt. Toch kostte het hem tien jaar om ambtenaren en banken ervan te overtuigen dat hij midden in deze groene stadszone koeien wil blijven melken. Tegenwoordig moet hij overal uitleggen hoe hij er een natuurgericht bedrijf van aan het maken is — nota bene in een gebied waar alles draait om huizen, kantoren en fabriekshallen.

Inmiddels heeft hij de nieuwsgierige stedelingen bij zijn melkbedrijf betrokken. Een actieve groep vrijwilligers helpt de boer een handje, telt weidevogels en helpt de sloten schoonmaken. De stedelingen komen ook af op de Bourgondische maaltijden die op zijn Hoeve Biesland worden georganiseerd en in het weekend is het druk als de boerin vlees van eigen koeien verkoopt. Met het omarmen van de milieubewuste consumenten uit de stad zijn kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen van het erf verdreven.

Ondanks het enthousiasme over stadslandbouw blijft het voor boeren erg moeilijk om van hun boerderijwerk rond te komen. Dave Bell verdient een zakcentje in onroerend goed, Carpenter werkt in deeltijd bij een biobrandstoftankstation en allebei geven ze les in boerderijvaardigheden, om hun inkomen aan te vullen. Zelfs degenen die genoeg verdienen om hun kosten te dekken, maken geen winst; het geld, zeggen zij, wordt meteen weer gestopt in het onderhouden en uitbreiden van de boerderij.

‘Voordat dit maatschappelijk gezien duurzaam kan zijn, moet het eerst financieel duurzaam worden’, meent Brooke Budner, een stadsboerin uit San Francisco. ‘We betalen onszelf helemaal niet veel. We zijn enthousiast, we hebben een bedrijfsplan en het voelt alsof we het van de grond gaan krijgen. Maar we weten het nog niet.’

Het gevoel dat de beweging toekomst heeft, wordt grotendeels veroorzaakt door het enthousiasme waarmee de boeren in hun gemeenschappen zijn ontvangen. Mensen zijn niet alleen geînteresseerd in het kopen van streekproducten, ze willen ook weten hoe ze die zelf kunnen verbouwen. Brooke Salvaggio, een stadsboerin uit Kansas City, zegt dat ze nauwelijks kan voldoen aan de vraag naar de lessen die zij en haar man geven over tuinieren, inblikken en inmaken en andere huishoudvaardigheden. Dat was een paar jaar geleden anders. ‘In het begin was het slechts een nichemarkt’, zegt ze. ‘Mensen dachten dat ze geen tijd hadden om dit soort dingen te doen.’ Maar de combinatie van sombere economische omstandigheden en steun van bekende tuinierders als First Lady Michelle Obama, denkt ze, heeft mensen gemotiveerd om zelf te proberen voedsel te verbouwen.

‘Weet je, wij vinden het heerlijk om voedsel voor mensen te verbouwen en we vinden het heerlijk om mensen te voeden, maar ik zou het nog fijner vinden als mensen zichzelf konden voeden’, zegt Salvaggio. ‘Het grotere doel is deze vaardigheden door te geven, zodat mensen zichzelf kunnen helpen en we een duurzamer systeem creêren.’

En het is dit type samenwerking met de gemeenschap, zeggen de boeren, dat uiteindelijk zal bepalen of stadslandbouw een blijvertje is. Katherine Kelly, die het Stadskantoor voor Stadslandbouw in Kansas City runt, zegt dat hoe beter een boerderij in het stadsleven is geîntegreerd, hoe groter haar overlevingskansen zullen zijn. ‘Tuinieren en landbouw zijn dingen die mensen doorgaans leren van buren, moeders, tantes, nichten. Ze hebben dat soort rolmodellen nodig’, zegt Kelly. ‘Als je een gemeenschap van beoefenaars hebt, zijn er mensen met wie je kunt praten of die je tegenkomt op de markt en met wie je verhalen kunt uitwisselen. Je voelt je gesterkt.’

Dave Bell zegt in ieder geval dat hij en Jill alles doen om andere mensen die interesse in landbouw hebben te steunen. En die steun werpt al zijn vruchten af: ze kennen een man die eerst als vrijwilliger op de boerderij kwam werken en nu zijn eigen kippenhandel is begonnen. De Bells hebben hem ruimte op hun boerderij gegeven om zijn pluimvee te fokken. ‘Ik denk niet dat iedereen halsoverkop terugkeert naar het boerenleven’, zegt Dave. ‘Maar mensen gaan wel zien dat het een optie is.’

In de tussentijd doen de gevestigde stadsboeren datgene waar ze het best in zijn: zaadjes planten in hun gemeenschap — en ze water geven tot ze bloeien.

Bestel dit nummer na via onze klantenservice: T 0251 – 257 927.

Iedere maand Ode thuis ontvangen? neem nu een proefabonnement vanaf 3,33 per maand.

Meer lezen?

href=” http://nl.odemagazine.com/blogs/editors_blog/15377/biologische_landbouw_kan_de_wereld_voeden
” target=”_blank” class=”Static”> Biologische landbouw kan de wereld voeden

href=” http://nl.odemagazine.com/doc/0058/een-groene-revolutie/
” target=”_blank” class=”Static”> Een groene revolutie
href=” http://nl.odemagazine.com/doc/0057/slimme-stad/
” target=”_blank” class=”Static”> Slimme stad
href=”http://twitter.com/JoinOptimism” target=”_blank” class=”Static”> Volg Ode ook op Twitter

Add a comment

What is 7 + 6 ?
Please leave these two fields as-is:
Please answer this question to help us combat spam.

Huidig Nummer

Cover 2014 juli:aug


Bekijk alle

Evenementen en cursussen

Tags